Accusatoir karakter van de procesgang.
Het accusatoir karakter van de burgerlijke procesgang wil zeggen dat de procespartijen een belangrijke, actieve rol spelen. Zij bepalen namelijk hoe ‘het spel’ wordt gespeeld. Enerzijds bepalen zij welke partijen er optreden en welke onderzoeksdaden worden gesteld. Anderzijds bepalen zij ook waarover de rechter uitspraak moet doen.
De partijen moeten in de eerste plaats zelf het initiatief nemen om een vordering in te stellen en de zaak voor de rechter te brengen. Daarnaast kiezen zij of er anderen in het geding betrokken worden. Indien partijen wensen dat iets wordt onderzocht kunnen in sommige gevallen enkel zij hiertoe een verzoek richten aan de rechter. Te denken valt aan een schriftonderzoek (artikel 883 Ger.W.) of een procedure wegens de valsheid van een stuk (artikel 895 ev. Ger.W.). Voor bepaalde onderzoeksdaden komt ook de rechter een initiatiefrecht toe.
De autonomie van de partijen rijkt zo ver dat enkel zij bepalen waarover geprocedeerd wordt en de feiten aandragen waarop de rechter zich moet baseren. Wanneer er uiteindelijk een beslissing is genomen kiezen de partijen of zij deze uitspraak al dan niet laten uitvoeren.
Burgerlijke rechtspleging versus strafrechtelijke rechtspleging.
Een groot verschil tussen het burgerlijke proces en het strafproces bestaat in de rol die de rechter krijgt toegekend. In burgerlijke zaken hebben de partijen, zoals gezegd, een grotere autonomie en zal de rechter een eerder passieve rol hebben. Hij zal controle uitoefenen, maar in de regel zijn het de partijen die het initiatief nemen en bepalen hoe het proces verloopt en waarover het gaat. Het burgerlijk proces is daarom accusatoir.
Een strafproces daarentegen wordt gekenmerkt door zijn inquisitoire karakter. Dit houdt in dat de rechter actief op zoek gaat naar de waarheid en zelf onderzoeksmaatregelen kan bevelen. De rechter voert een centraal onderzoek, maar partijen kunnen hun bevindingen en opmerkingen meedelen.
De rol van de rechter in het burgerlijk proces.
In een burgerlijk proces zegt men traditioneel dat de rechter een passieve of een ‘lijdelijke’ rol heeft. Doordat de partijen de grenzen van het geschil afbakenen mag de rechter zich enkel uitspreken over hetgeen partijen opwerpen. Hij mag niet meer toekennen dan er werd gevraagd en mag ook niet oordelen over zaken die niet werden gevorderd (artikel 1138, 2° Ger.W.). Daarnaast moet de rechter uitspraak doen over elk punt dat gevorderd wordt (artikel 1138, 3° Ger.W.).
Toch moet de rechter niet lijdeloos toekijken. Hij moet partijen die misbruik maken van hun rechten of die het proces onnodeloos vertragen, sanctioneren en zorgen voor een vlot procesverloop. Indien hij vermoedt dat een partij of een derde belangrijke bewijsstukken onder zich heeft kan hij de afgifte hiervan bevelen (artikel 877 Ger.W.). Bovendien staat het de rechter ook vrij om in bepaalde gevallen onderzoeksmaatregelen te bevelen, zoals een getuigenverhoor, een deskundigenonderzoek en een plaatsopneming. Ten slotte zijn er ook situaties waarin de rechter mag en/of moet tussenkomen in het debat met die beperking dat hij de rechten van verdediging van de partijen eerbiedigt, dat hij geen extra betwistingen creëert of uitspraak doet over dingen die niet werden gevorderd en dat hij enkel mag steunen op regelmatig aangedragen elementen.