Het Nationaal Register voor gerechtsdeskundigen.
Het Nationaal Register voor gerechtsdeskundigen is een register opgericht bij Wet van 10 april 2014 waarin de natuurlijke personen worden opgenomen die gemachtigd zijn om de titel van gerechtsdeskundige te voeren. Enkel deskundigen die werden opgenomen in het nationaal register, kunnen worden aangesteld door de rechtbank als gerechtsdeskundige. In bepaalde uitzonderingsgevallen kan de rechter toch nog een deskundige benoemen die niet in het register werd opgenomen.
Met het Nationaal Register voor gerechtsdeskundigen wil men de kwaliteit van het deskundigenonderzoek garanderen. Men neemt enkel professionele deskundigen met juridische kennis in het register op. Aan de hand van het register kan men ook zien welke deskundigen beschikbaar zijn. De volgende gegevens worden in het register vermeld (art. 991quinquies, § 2 Ger. W.).
1. De naam, voornaam en het geslacht van de gerechtsdeskundige
2. De contactgegevens
3. De deskundigheid en de specialisatie
4. De gerechtelijke arrondissementen waarvoor hij beschikbaar is
5. Het identificatienummer, de datum van opname en van verlenging
6. De talen waarin hij kan optreden als gerechtsdeskundige
Momenteel hebben alleen de magistraten en hun diensten toegang tot die registers. Zij hebben toegang sinds eind juni 2017. Het is de bedoeling om het register ook toegankelijk te maken voor het publiek, zoals ook de Wet uitdrukkelijk voorzien (artikel 991quinquies in fine Ger.W.).
De opname in het Nationaal Register.
De deskundige die in het register opgenomen wilt worden, moet zijn aanvraag indienen bij de minister van Justitie. De aanvaardingscommissie zal over de aanvraag een advies geven. De minister zelf of een gemachtigde ambtenaar zal de uiteindelijke beslissing nemen. De aanvaardingscommissie ziet ook toe op de permanente kwaliteitsbewaking, de aanstelling van de gerechtsdeskundigen en de uitvoering van de onderzoeken (art. 991ter, vierde lid Ger.W.)
De gerechtsdeskundigen worden voor een periode van zes jaar in het register opgenomen. Men kan deze periode verlengen, mits aanvraag. Elke opgenomen gerechtsdeskundige ontvangt een legitimatiekaart en een identificatienummer.
Opnamevoorwaarden.
Om in aanmerking te komen voor de opname in het register moet de deskundige aan een aantal voorwaarden voldoen.
Op de eerste plaatse moeten de volgende formele voorwaarden vervuld zijn (art. 991quater, 2°-5° Ger.W.):
- De deskundige moet een natuurlijke persoon zijn die een Unieburger is of wettelijk in de Europese Unie verblijft.
- De deskundige moet een uittreksel van het strafregister voorleggen.
- De deskundige mag niet strafrechtelijk veroordeeld zijn tot enige correctionele of criminele straf, behoudens een aantal uitzonderingen (veroordeling inzake verkeer en veroordelingen die kennelijk geen bezwaar vormen voor de uitvoering van de onderzoeken).
- De deskundige moet schriftelijk verklaren dat de gerechtelijke overheden op zijn diensten een beroep kunnen doen.
Bovendien moet de kandidaat bewijzen dat hij over de nodige juridische kennis beschikt (art. 991quater, 6° Ger.W.). De kandidaat zal een opleiding moeten volgen die beantwoordt aan de bij KB van 30 maart 2018 bepaalde voorwaarden. Op het einde van die opleiding zal de kandidaat een test moeten afleggen. Indien hij geslaagd is, zal hij een getuigschrift krijgen waarmee hij zijn juridische kennis kan bewijzen.
Daarnaast moet de kandidaat aantonen dat hij de nodige beroepsbekwaamheid heeft in het domein waarin hij als deskundige aan de slag wil gaan. Hij kan dit bewijzen door een diploma voor te leggen of door het bewijs leveren van vijftien jaar ervaring gedurende de laatste twintig jaar. De kandidaat die zijn beroepsbekwaamheid aan de hand van een diploma bewijst, moet ook bewijzen dat hij gedurende de laatste acht jaar vijf jaar ervaring had.
De kandidaat moet ook verklaren dat hij zich ertoe verbindt om zichzelf permanent te vormen. Er is echter nog geen KB verschenen dat de permanente vorming van gerechtsdeskundigen regelt.
De kandidaat zal ook moeten verklaren de deontologische code na te leven, die werd ingevoerd bij KB van 25 april 2017.
Tenslotte moet de kandidaat eenmalig een eed afleggen.