Bevrijdende verjaring.
Soms werpt men op dat een vordering is ‘verjaard’ waardoor de schuldeiser zich niet meer op deze vordering kan beroepen. In dat geval bedoelt men de bevrijdende verjaring. Dit houdt in dat men door verloop van tijd van een verbintenis is bevrijd en men de uitvoering hiervan niet meer kan opeisen. Terwijl de bevrijdende verjaring ervoor zorgt dat een recht niet meer kan worden uitgeoefend, zorgt de verkrijgende verjaring ervoor dat er een recht onder bepaalde voorwaarden verkregen wordt. In onderstaande bijdrage wordt op de bevrijdende verjaring gefocust.
Wat is bevrijdende verjaring?
De bevrijdende verjaring zorgt ervoor dat een partij wordt bevrijd van haar verbintenis doordat er een bepaalde termijn is verstreken. Het is dus eerder een manier om zich te verweren tegen een vordering die te laat werd ingesteld door de wederpartij. De verjaring moet dan ook worden opgeworpen. De rechter zal de verjaring slechts in een aantal gevallen uit zichzelf doen. In het Belgische recht bestaan er meer dan 1000 verjaringsbepalingen. Toch hebben deze bepalingen allemaal als doelstelling meer zekerheid te bieden. In de eerste plaats is er de rechtszekerheid en daaraan gekoppeld de maatschappelijke rust. De maatschappij is er niet mee gebaat telkens geschillen uit het verleden op te lossen. Ten tweede is er ook de zekerheid voor de schuldenaar dat hij niet zijn hele leven kan worden aangesproken om zijn verbintenis na te komen. Ook zorgt dergelijke termijn ervoor dat het voor de schuldenaar niet onmogelijk wordt om bewijsmiddelen te vinden om zich te kunnen verweren.
Gevolgen van de verjaring.
Wanneer men zich succesvol op de bevrijdende verjaring beroept, zorgt dit er niet voor dat de schuld niet meer bestaat. Het is enkel niet meer mogelijk om deze schuld op te eisen. Onrechtstreeks heeft dit wel tot gevolg dat de verbintenis uitdooft. Wanneer iemand dan toch betaalt, wordt dit beschouwd als de uitvoering van een natuurlijke verbintenis waardoor het betaalde bedrag niet meer kan worden teruggevorderd.
Voorbeelden?
Zoals gezegd bestaan er meer dan 1000 verjaringsbepalingen in het Belgische recht. Overzichtelijk is het dus niet. Bovendien lijkt de duur van verschillende termijnen zeer willekeurig. Hieronder worden de belangrijkste termijnen uit het privaatrecht aangestipt. Het strafrecht, bestuursrecht, tuchtrecht kennen nog andere specifieke bepalingen.
Hierbij kan ook nog worden opgemerkt dat een termijn in principe maar kan beginnen lopen indien de vordering is ontstaan. Toch zijn er bepalingen die een specifiek aanvangspunt omschrijven. Bovendien zal de dag waarop de vordering ontstaat niet in de termijn begrepen zijn. Dit is anders in het strafrecht, waar de verjaringstermijn begint te lopen op de dag van het misdrijf. Zodra de laatste dag van deze termijn is verlopen, is de vordering verjaard. Hierbij maakt het niet uit of de laatste dag een zon-of feestdag is.
Artikel 2262 BW bepaalt dat zakelijke vorderingen verjaren na verloop van dertig jaar. Zakelijke rechtsvorderingen zijn vorderingen die betrekking hebben op een zakelijk recht, zoals een vruchtgebruik, opstal, erfpacht of een erfdienstbaarheid (bijvoorbeeld een recht van doorgang). Deze rechten kunnen onder meer uitdoven door verloop van tijd. Het eigendomsrecht kan daarentegen niet na dertig jaar ophouden te bestaan, maar wel ontstaan (verkrijgende verjaring).
Tegenover de zakelijke rechtsvorderingen staan de persoonlijke rechtsvorderingen. In dit laatste geval bestaat er een aanspraak ten aanzien van een persoon. Bijvoorbeeld het betalen van een schuld, het leveren van een pakketje, het plaatsen van een keuken … De aanspraken die niet voortvloeien uit een overeenkomst (buitencontractuele vorderingen), zijn onderworpen aan een andere verjaringstermijn. In de gevallen waarin de wet geen andere termijn voorziet zal de tienjarige termijn uit artikel 2262bis, §1 BW van toepassing zijn. In de eerste plaats kan men denken aan vorderingen die voortvloeien uit een overeenkomst. Bijvoorbeeld een vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst of een schadevergoeding omwille van het niet nakomen van zijn verbintenissen. Ook wanneer er geen overeenkomst ten grondslag ligt, speelt deze tienjarige termijn. Wanneer iemand bijvoorbeeld betaalt zonder dat hij iets verschuldigd was, heeft men tien jaar om dit terug te eisen (indien er ook nog aan enkele andere voorwaarden is voldaan). Ook moet men de uitvoering van een rechterlijke beslissing binnen deze termijn vorderen.
Een andere belangrijke verjaringstermijn is terug te vinden in artikel 2262bis, §2 BW. Dit artikel schrijft een dubbele verjaringstermijn voor voor buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen. Dit zijn vorderingen die niet gebaseerd zijn op een overeenkomst. Zo zijn ouders op grond van artikel 1384, lid 2 BW aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door hun minderjarige kinderen. Ook indien u door een fout of nalatigheid schade veroorzaakt zal u op grond van artikel 1382 – 1383 BW aansprakelijk kunnen worden gesteld. Bovendien neemt men ook aan dat de schade die zich voordoet vóór of na een overeenkomst, buitencontractueel is. Maar er zijn nog andere situaties denkbaar. In dit geval is er een termijn voorzien van vijf jaar. Deze termijn begint te lopen vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verergering ervan én van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. Daarnaast begint er ook een termijn van twintig jaar te lopen de dag volgend op die van het schadeverwekkende feit. De vordering zal in ieder geval uiterlijk na twintig jaar verjaren. Indien de twee voorwaarden van de vijfjarige termijn achttien jaar na het schadeverwekkende feit vervuld zijn, heeft u slechts twee (en geen vijf) jaar om uw vordering in te stellen.