De betaling van een geldschuld lijkt eenvoudig: u betaalt het afgesproken bedrag. Maar wat als u tienduizend euro leent en die jaren later terugbetaalt, terwijl de euro intussen minder waard is? Moet u dan meer betalen? Het antwoord ligt in het beginsel van het monetair nominalisme.
Geldschuld of waardeschuld?
Het Burgerlijk Wetboek onderscheidt twee soorten schulden in geld.
Een geldschuld is een schuld tot betaling van een geldsom die vooraf in cijfers vastligt of te bepalen is. Bijvoorbeeld: "u betaalt € 10.000,00".
Een waardeschuld moet nog in geld worden omgezet, door de partijen of door de rechter. Denk aan een schadevergoeding die de rechter nog moet begroten.
Het nominale bedrag volstaat
Bij een geldschuld betaalt u bevrijdend door het nominale bedrag te storten, "zonder rekening te houden met de werkelijke waarde ervan". Dat staat sinds 1 januari 2023 in art. 5.205 BW. Bij een waardeschuld betaalt u bevrijdend door het bedrag te betalen dat uit de begroting volgt.
Concreet: leende u € 10.000,00, dan betaalt u € 10.000,00 terug. Inflatie verandert daar niets aan.
Die regel is regelend recht. Partijen mogen er dus van afwijken. Wilt u als schuldeiser beschermd zijn tegen waardeverlies? Dan kunt u bijvoorbeeld een indexatieclausule afspreken die het bedrag koppelt aan de levensduurte.
Waar, wanneer en op wiens kosten u betaalt, leest u in Plaats, tijdstip en kosten van betaling. De algemene regels vindt u in De betaling
Moratoire en compensatoire interest
Art. 5.206 BW onderscheidt verschillende soorten interest. Twee ervan zijn hier belangrijk.
Moratoire interest (art. 5.240 BW) is de nalatigheidsinterest bij laattijdige betaling van een geldschuld. Ze loopt in principe vanaf de ingebrekestelling, tenzij de wet of het contract iets anders bepaalt. Ze is verschuldigd aan de wettelijke interestvoet, tenzij een andere voet werd afgesproken. Het grote voordeel: u hoeft als schuldeiser geen schade te bewijzen. Het gaat om een forfaitaire vergoeding. Hoe u een schuldenaar in gebreke stelt, leest u in De ingebrekestelling
Compensatoire interest (art. 5.241 BW) hoort bij een waardeschuld, zoals een schadevergoeding. Hier moet de schuldeiser wel het bestaan en de omvang van zijn schade aantonen. De rechter beoordeelt dat.
Welke interestvoet geldt?
De wettelijke interestvoet bedraagt 4,50 % voor 2026. Hij wordt jaarlijks vastgesteld op basis van de wet van 5 mei 1865.
Let op: dat is niet hetzelfde als de interestvoet bij betalingsachterstand in handelstransacties tussen ondernemingen. Die volgt uit de wet van 2 augustus 2002, wordt elk halfjaar apart vastgesteld en ligt doorgaans hoger.
Betaalt uw schuldenaar slechts een deel? Dan rijst de vraag waarop die betaling eerst wordt aangerekend. Zie Toerekening van de betaling op de hoofdsom, de interesten en de kosten
Kort samengevat: vraag en antwoord
Moet ik meer terugbetalen als de euro intussen minder waard is? Nee. Volgens het monetair nominalisme (art. 5.205 BW) volstaat het nominale bedrag, tenzij u een indexatie afsprak.
Welke interest loopt bij laattijdige betaling van een geldschuld? Moratoire interest, in principe vanaf de ingebrekestelling, aan de wettelijke interestvoet (4,50 % in 2026), tenzij een andere voet werd afgesproken of de B2B-regeling geldt.
Veelgestelde vragen
Kan ik als schuldeiser toch de "echte waarde" van mijn vordering eisen?
Alleen als u dat vooraf afsprak, bijvoorbeeld met een indexatieclausule. Zonder zo'n afspraak geldt het nominale bedrag.
Moet ik schade bewijzen als mijn schuldenaar te laat betaalt?
Bij een geldschuld niet. De moratoire interest is forfaitair verschuldigd, zonder bewijs van schade (art. 5.240 BW).
Is de wettelijke interestvoet elk jaar dezelfde?
Nee, hij wordt jaarlijks herzien. Voor 2026 bedraagt hij 4,50 %.
Wat is het verschil tussen een geldschuld en een waardeschuld?
Een geldschuld ligt vooraf in cijfers vast. Een waardeschuld moet nog in geld worden omgezet, bijvoorbeeld door de rechter.
Manieren waarop een schuld kan uitdoven
Mensen waren ook op zoek naar