Het recht van toezicht
Wanneer ouders uit elkaar gaan, blijft het uitgangspunt dat zij samen het ouderlijk gezag over hun kind(eren) uitoefenen. Dat betekent dat ze gezamenlijk beslissingen nemen over de opvoeding, de schoolkeuze, het verblijf en het beheer van de goederen van het kind (art. 374, eerste lid oud BW).
In uitzonderlijke gevallen kan de familierechtbank beslissen dat één ouder het ouderlijk gezag exclusief uitoefent. Dit houdt in dat deze ouder alleen bevoegd is om beslissingen te nemen met betrekking tot het kind (art. 374, tweede lid en art. 376, derde lid oud BW).
Maar dit betekent niet dat de andere ouder volledig buitenspel staat. Integendeel, de wet voorziet voor die ouder onder meer:
- Het recht op persoonlijk contact met het kind;
- Het recht van toezicht.
Wat houdt het recht van toezicht in?
Het recht van toezicht betekent dat de ouder die het ouderlijk gezag niet uitoefent, het recht heeft om:
- Toezicht uit te oefenen op de wijze waarop de andere ouder het kind opvoedt;
- Toezicht te houden op het beheer van de goederen van het kind dat door de andere ouder gebeurt.
Dit garandeert ook dat de niet-gezagsdragende ouder op de hoogte blijft van belangrijk aspecten van het leven van zijn of haar kind en waar nodig kan reageren op eventuele problemen.
Daarnaast kan de familierechtbank, zelfs bij exclusief ouderlijk gezag, nog steeds bepalen dat voor bepaalde belangrijke beslissingen de beide ouders gezamenlijk moeten optreden (bv. bij medische ingrepen of schoolkeuze). Dat moet altijd gebeuren in het belang van het kind.
De werking van het recht van toezicht
Het recht van toezicht dat toekomt aan de ouder die het ouderlijk gezag niet uitoefent, heeft een dubbele werking.
Enerzijds heeft de niet-gezaghebbende ouder het recht om rechtstreeks toezicht uit te oefenen op de opvoeding van het kind. Dit betekent dat de ouder mag nagaan of het kind in goede omstandigheden wordt opgevoegd, of het correct begeleid wordt op school, of de nodige medische zorgen worden toegediend, etc.
Anderzijds strekt het recht van toezicht zich ook uit tot de ouder die het ouderlijk gezag exclusief uitoefent. De toezichthoudende ouder mag controleren hoe deze ouder zijn of haar verantwoordelijkheid waarneemt, zowel wat betreft de opvoeding als het beheer van de goederen van het kind.
Om deze toezichtsfunctie daadwerkelijk te kunnen uitoefenen, mag deze ouder informatie opvragen bij derden (art. 376, vierde lid oud BW). Deze derden zijn verplicht de gevraagde informatie te verstrekken. Zo kan de ouder onder meer informatie opvragen bij:
- De schooldirectie: bv. schoolrapporten, aanwezigheden, evaluaties;
- De arts of medische instanties: inzake gezondheidsopvolging;
- De bank: m.b.t. de rekeningen op naam van het kind.
Indien de toezichthoudende ouder vaststelt dat de belangen van het kind in het gedrang komen door het optreden van de gezaghebbende ouder, kan hij of zij zich richten tot de familierechtbank. De rechtbank kan dan ingrijpen en eventueel aanvullende maatregelen nemen om het belang van het kind te beschermen.
De andere bestanddelen van het ouderlijk gezag
De onderhoudsverplichting van de ouders t.o.v. hun kinderen