Meemoederschap
De wet van 5 mei 2014 heeft de regels inzake de vaststelling en betwisting van afstamming langs vaderszijde naar analogie toegepast op het meemoederschap.
Voor deze wet kon een meemoeder enkel via adoptie een juridische afstammingsband met het kind vestigen. Sinds de inwerkingtreding van de wet is het voor de meemoeder echter mogelijke geworden om een oorspronkelijke afstammingsband te vestigen, op gelijkaardige wijze als een juridische vader. Op die manier kan het kind vanaf de geboorte rechtsbescherming genieten ten aanzien van zowel de biologische moeder als de meemoeder.
De regels inzake de vestiging en betwisting van de meemoederlijke afstamming zijn grotendeels gebaseerd op het model van de vaderlijke afstamming, met uiteraard de nodige aanpassingen.
De rechtsgevolgen van het vaststellen van het meemoederschap
De wet van 5 mei 2014 heeft de klassieke tweevoudige afstammingsstructuur behouden. Een kind kan dus niet meer dan twee juridische ouders hebben: ofwel één moeder en één vader, ofwel één moeder en één meemoeder. Een kind kan bijgevolg niet gelijktijdig een juridische moeder, vader en meemoeder hebben (art. 329, eerste lid oud BW).
De wet doorbreekt dus enkel de voorwaarde dat de juridische ouders van verschillend geslacht moeten zijn, maar laat het aantal ouders onveranderd.
Een wettelijk vastgesteld meemoederlijke afstammingsband heeft exact dezelfde rechtgevolgen als de moederlijke of vaderlijke afstamming. Deze zijn onder meer:
- Het ontstaan van ouderlijk gezag en van de ouderlijke verplichtingen, zoals opvoeding en onderhoud;
- Het creëren van een verwantschapsband, niet alleen ten aanzien van de meemoeder zelf, maar ook ten aanzien van haar familieleden;
- Gevolgen inzake de staat van de persoon, zoals familienaam, nationaliteit, erfrecht, etc.
- Gevolgen op het gebied van de aquiliaanse (buitencontractuele) aansprakelijkheid.
De afstamming langs meemoederszijde
De afstamming langs vaderszijde
De afstamming langs moederszijde