Een erkenning door de moeder blijkt niet met de biologische werkelijkheid overeen te stemmen, of kwam tot stand zonder de vereiste toestemming: kan die erkenning dan nog ongedaan gemaakt worden? Het antwoord hangt sterk af van wie de vordering instelt, en of het kind al dan niet bezit van staat heeft.
Wie kan de erkenning betwisten?
Artikel 330, §1 van het oud Burgerlijk Wetboek somt limitatief vier categorieën op die de erkenning van het moederschap kunnen betwisten, tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de vrouw die het erkende:
- de vader;
- het kind;
- de vrouw die het kind heeft erkend;
- de vrouw die het moederschap van het kind opeist.
Welk bewijs moet geleverd worden?
Hier zit een belangrijke nuance in de bewijslast. De erkennende vrouw zelf, en ieder die een vereiste voorafgaande toestemming tot de erkenning heeft gegeven (in de praktijk doorgaans de vader, en/of het kind vanaf 12 jaar), kunnen de erkenning enkel betwisten door te bewijzen dat aan hun toestemming een gebrek kleefde. De vrouw die het moederschap opeist, gaf nooit een dergelijke toestemming en valt dus buiten die beperking: haar vordering is enkel gegrond wanneer haar eigen, biologisch moederschap vaststaat, waarbij de rechtbank bovendien nagaat of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies oud BW is voldaan (artikel 330, §3 oud BW). Voor alle andere gevallen geldt de algemene regel: de erkenning wordt tenietgedaan indien door alle wettelijke middelen bewezen wordt dat de erkennende vrouw niet de biologische moeder is (artikel 330, §2 oud BW).
Binnen welke termijn moet de vordering worden ingesteld?
De vordering van de vader, de erkennende vrouw of de vrouw die het moederschap opeist, moet worden ingesteld binnen één jaar na de ontdekking van het feit dat de erkenning niet met de werkelijkheid overeenstemt. Voor het kind geldt een ruimere regeling: het kan zijn vordering op zijn vroegst instellen vanaf zijn 12de verjaardag, en ten laatste op zijn 22ste verjaardag — met daarnaast een vangnet van één jaar na het ontdekken van de ware toedracht, ook wanneer dat later dan het 22ste levensjaar gebeurt.
Waarom kan de meemoeder deze vordering niet instellen?
De meemoeder staat niet in de limitatieve lijst van artikel 330, §1 oud BW, en kan deze vordering dus niet instellen. Dat is geen leemte: zij beschikt over een eigen, afzonderlijke betwistingsgrond, specifiek toegesneden op de erkenning van meemoederschap na medisch begeleide voortplanting (artikel 325/7, §1 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoerd bij de wet van 5 mei 2014). Bevoegd om die vordering in te stellen zijn de erkennende vrouw zelf, de moeder, het kind, de man die het vaderschap opeist, en de vrouw die het meemoederschap opeist — met termijnen die grotendeels aansluiten bij die van artikel 330, maar die er rekening mee houden dat het aanknopingspunt niet de erkenning zelf is, maar de instemming met de medisch begeleide voortplanting.
Kan de rechter toch een vordering toelaten ondanks bezit van staat?
Ja. Het Grondwettelijk Hof oordeelde in zijn arrest nr. 29/2013 van 7 maart 2013 dat artikel 330, §1 oud BW een schending inhoudt van artikel 22 van de Grondwet, gelezen samen met artikel 8 EVRM, in de mate dat de bepaling geen ruimte laat voor een belangenafweging wanneer bezit van staat een vordering blokkeert. Dat arrest werd bevestigd en verder verfijnd in het arrest nr. 139/2013 van 17 oktober 2013. De rechter moet sindsdien nagaan of een tussenkomst in het gezinsleven (i) op een voldoende wettelijke grondslag steunt, (ii) beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte, en (iii) evenredig is — niet enkel tussen het individu en de samenleving, maar ook tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen onderling.
Veelgestelde vragen over de betwisting van een erkenning langs moederszijde
Wie kan de erkenning van een moederschap betwisten?
Vier categorieën: de vader, het kind, de vrouw die het kind erkende, en de vrouw die het moederschap van het kind opeist — tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de erkennende vrouw.
Binnen welke termijn moet ik een erkenning betwisten?
In de meeste gevallen binnen één jaar na de ontdekking van de ware toedracht. Voor het kind zelf geldt een termijn tussen de 12de en de 22ste verjaardag, met een vangnet van één jaar na late ontdekking.
Kan een meemoeder de erkenning van de moeder betwisten via artikel 330?
Nee, zij staat niet in de limitatieve lijst van artikel 330, §1 oud BW. Zij beschikt wel over een eigen betwistingsgrond op basis van artikel 325/7, §1 van het Burgerlijk Wetboek, specifiek voor situaties van medisch begeleide voortplanting.
Kan een vordering nog slagen als het kind bezit van staat heeft?
Uitzonderlijk wel: sinds de arresten van het Grondwettelijk Hof van 2013 moet de rechter een belangenafweging maken en kan hij, na een strikte toetsing, de vordering toch ontvankelijk verklaren.
Afstamming langs moederszijde
De afstamming langs vaderszijde
Afstamming langs meemoederszijde