Uw relatie loopt stuk, u woonde feitelijk samen zonder samenlevingscontract, en nu rijst de vraag: van wie is de bank, de auto, het spaargeld op de gezamenlijke rekening? Feitelijke samenwoning kent, anders dan het huwelijk of de wettelijke samenwoning, geen automatisch vermogensrechtelijk kader. Dat maakt de verdeling van goederen bij een breuk vaak complexer dan verwacht.
Geen automatische gemeenschappelijke eigendom
Bij het beëindigen van een feitelijke samenwoning neemt elke partner in beginsel zijn eigen bezittingen terug. Er ontstaat geen automatische gezamenlijke eigendom tussen feitelijk samenwonenden, tenzij een goed effectief samen werd aangekocht of anderszins gezamenlijk verworven (bijvoorbeeld door vermenging van gelden op een gemeenschappelijke rekening).
Hoe bewijst u eigendom van een goed?
Voor onroerende goederen volstaat de eigendomstitel (notariële akte) om aan te tonen wie eigenaar is. Voor roerende goederen ligt dat minder eenvoudig: courante bewijsmiddelen zijn aankoopdocumenten (facturen, garantiebewijzen), getuigenverklaringen en feitelijke vermoedens, een eventueel samenlevingscontract met eigen bewijsafspraken, en een boedelbeschrijving.
Een belangrijke, actuele precisering: sinds de inwerkingtreding van Boek 8 van het nieuw Burgerlijk Wetboek (bewijsrecht, wet van 13 april 2019, van kracht sinds 1 november 2020) geldt dat rechtshandelingen vanaf 3.500 euro tussen partijen in beginsel bewezen moeten worden door een ondertekend geschrift (artikel 8.9, §1 NBW). Voor kleinere aankopen, en voor situaties waarin het opstellen van een geschrift tussen partners "moreel onmogelijk" was — een uitzondering die het Hof van Cassatie reeds in 1975 aanvaardde tussen samenwonende partners — blijft vrij bewijs via getuigen en vermoedens mogelijk.
Wat als geen van beide partners exclusieve eigendom kan bewijzen?
Kan geen van beide partners aantonen dat hij of zij de exclusieve eigenaar is, dan wordt het goed doorgaans beschouwd als in onverdeeldheid te zijn tussen beide partners. Voor wettelijk samenwonenden en gehuwden onder het stelsel van scheiding van goederen bestaat hiervoor een uitdrukkelijk wettelijk vermoeden; voor feitelijk samenwonenden steunt deze regel eerder op vaste rechtspraak en analogie dan op een specifiek, voor hen geschreven wetsartikel.
Elke deelgenoot in een dergelijke onverdeeldheid kan te allen tijde de verdeling ervan vorderen: artikel 3.75 van het nieuw Burgerlijk Wetboek (Boek 3, "Goederen", in werking sinds 1 september 2021) bepaalt dat elke mede-eigenaar te allen tijde de verdeling van goederen in toevallige mede-eigendom kan eisen. Bij gebrek aan een minnelijke regeling verloopt de effectieve verdelingsprocedure via de rechtbank (Gerechtelijk Wetboek), waarbij het goed in natura wordt verdeeld, door één partner wordt overgenomen tegen uitbetaling van de waarde van het aandeel van de ander, of, bij gebrek aan overeenstemming, openbaar wordt verkocht.
Ongelijke bijdragen tijdens de samenwoning: is er een vergoeding mogelijk?
Feitelijk samenwonenden hebben, anders dan wettelijk samenwonenden, geen wettelijke regeling voor de verdeling van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Heeft één partner tijdens de relatie aanzienlijk meer bijgedragen aan gemeenschappelijke uitgaven of investeringen zonder daardoor mede-eigenaar te worden van een goed, dan kan de figuur van de ongerechtvaardigde verrijking uitkomst bieden. Sinds de inwerkingtreding van Boek 5 van het nieuw Burgerlijk Wetboek (1 januari 2023) is dit uitdrukkelijk wettelijk verankerd: artikel 5.135 NBW omschrijft ongerechtvaardigde verrijking als de situatie waarin elke juridische rechtvaardiging ontbreekt voor zowel de verrijking van de ene partner als de daarmee samenhangende verarming van de andere. De vordering is wel subsidiair (artikel 5.136 NBW): ze kan pas worden ingesteld als er geen andere rechtsvordering openstaat. De vergoeding wordt begroot op het laagste bedrag van de verrijking en de verarming, geraamd op het ogenblik van de vergoeding (artikel 5.137 NBW).
Veelgestelde vragen over de verdeling van goederen bij feitelijke samenwoning
Wordt alles wat we samen kochten automatisch gezamenlijk eigendom?
Niet automatisch als algemeen principe, maar wel telkens een goed daadwerkelijk gezamenlijk werd aangekocht of verworven — bijvoorbeeld met geld van een gemeenschappelijke rekening. Voor goederen waarvan niemand de exclusieve eigendom kan bewijzen, wordt doorgaans uitgegaan van onverdeeldheid tussen de partners.
Ik heb geen facturen meer van spullen die ik alleen kocht. Wat nu?
Facturen zijn het sterkste bewijs, maar niet het enige: getuigenverklaringen en feitelijke vermoedens blijven mogelijk, zeker voor aankopen onder de 3.500 euro-drempel of wanneer het opstellen van een geschrift tussen partners redelijkerwijze niet voor de hand lag.
Kan ik de verdeling van een gezamenlijk goed afdwingen als mijn ex-partner niet meewerkt?
Ja. Artikel 3.75 van het nieuw Burgerlijk Wetboek laat elke mede-eigenaar toe om te allen tijde de verdeling van een goed in onverdeeldheid te vorderen. Bij gebrek aan een minnelijke regeling kan de rechtbank de verdeling bevelen.
Ik betaalde jarenlang meer dan mijn partner aan de gezamenlijke uitgaven. Kan ik dat nog rechtzetten?
Mogelijk wel, via de figuur van de ongerechtvaardigde verrijking (artikelen 5.135-5.137 van het nieuw Burgerlijk Wetboek). Dit vergt een concrete beoordeling van uw situatie, en geldt enkel wanneer er geen andere rechtsvordering openstaat.
Deze problemen vermijden en zelf een feitelijke samenwoningsovereenkomst opstellen?
In onze shop kan u een volledig samenlevingscontract aanschaffen voor een feitelijke samenwoning. Voor het invullen van onze slimme modeldocumenten, wordt u begeleidt met een gedetailleerde handleiding en een eenvoudige Q&A.
Hier vindt u alles over de feitelijke samenwoning
Hier vindt u alles over de wettelijke samenwoning