Verjaring van onderhoudsgeld
Het antwoord op de vraag wanneer onderhoudsgeld verjaart, is niet eenvoudig te beantwoorden. Er zijn immers verschillende situaties denkbaar. Onderhoudsgeld verjaart in de regel na een periode van vijf jaar, op voorwaarde dat de onderhoudsbijdrage opeisbaar is krachtens een uitvoerbare titel, een vonnis bijvoorbeeld.
Er is geen verjaring van een vordering tot het bekomen van een onderhoudsuitkering
Wanneer iemand onderhoudsgerechtigd is, kan deze altijd een vordering instellen bij de rechtbank om de onderhoudsplichtige te veroordelen tot betaling van een onderhoudsuitkering. Enige voorwaarde is dat de onderhoudsplichtige nog in leven is, gezien het persoonlijk karakter van de onderhoudsverplichting. Deze verplichting gaat immers niet over op de erfgenamen.
Dit betekent dat de onderhoudsgerechtigde zijn onderhoudsaanspraken in principe nooit kan verliezen, louter omdat hij zijn aanspraken gedurende lange tijd niet heeft uitgeoefend.
Er bestaat wel een uitzondering hierop, namelijk de onderhoudsvorderingen ten laste van nalatenschappen. De onderhoudsgerechtigde moet deze vordering instellen binnen één jaar na het openvallen van de nalatenschap (artikel 205bis, §5 oud BW).
Wanneer verjaart onderhoudsgeld verschuldigd op basis van een vonnis?
Wanneer een onderhoudsbijdrage opeisbaar is op basis van een uitvoerbare titel (bv. vonnis of andere authentieke akte), dan geldt er een verjaringstermijn van vijf jaar om de uitkering te bekomen. De uitkering moet niet binnen een termijn van vijf jaar daadwerkelijk in het bezit zijn van de onderhoudsgerechtigde, maar u moet binnen vijf jaar het onderhoudsgeld via een gerechtsdeurwaarder opeisen ("gedwongen uitvoeren").
U kan dus ook slechts voor een periode van maximaal vijf jaar teruggaan in de tijd, zowel wanneer u een rechtsvordering instelt tot het bekomen van een onderhoudsbijdrage, als wanneer u een vonnis waarin periodieke onderhoudsgelden worden toegekend wilt opeisen. Deze regel is bepaald in artikel 2277 van het oud Burgerlijk Wetboek. Onderhoudsgeld verjaart dus in de regel na een periode van vijf jaar.
Wanneer de rechter bijvoorbeeld met terugwerkende kracht een onderhoudsvordering toekent vanaf 1 maart 2018, kan er slechts retroactief onderhoudsgeld gevorderd worden voor de periode tot 1 maart 2013.
De vijfjarige verjaringstermijn geldt enkel voor reeds vervallen periodieke onderhoudsuitkeringen.
Wat met de verjaring van veroordelingen tot achterstallige onderhoudsuitkeringen?
De vijfjarige verjaringstermijn geldt, zoals hoger reeds gezegd, enkel voor periodiek vervallen onderhoudsgelden die voortvloeien uit een reeds bestaande uitvoerbare titel.
Voor veroordelingen waarbij de rechtbank een onderhoudsuitkering toekent voor het verleden, geldt de normale verjaringstermijn die in het verbintenissenrecht geldt. Deze staat in artikel 2262bis van het oud Burgerlijk Wetboek beschreven en bedraagt tien jaar.
Schorsing of stuiting van de verjaring?
De vijfjarige termijn om een rechtsvordering in te stellen om de onderhoudsgelden op te eisen, is een verjaringstermijn. Dit betekent dat deze termijn geschorst of gestuit kan worden.
Schorsing houdt in dat de verjaring tijdelijk wordt onderbroken en pas terug verder begint te lopen nadat de schorsingsgrond verdwijnt. Zo wordt de verjaringstermijn tussen echtgenoten bijvoorbeeld geschorst zolang het huwelijk duurt. Indien een onderhoudsvordering tussen de echtgenoten ontstaat tijdens het huwelijk, begint de termijn van vijf jaar pas te lopen vanaf de beëindiging van het huwelijk.
Daarnaast kan de verjaring, van zowel periodiek als achterstallig onderhoudsgeld, gestuit worden. Met andere woorden de verjaring begint opnieuw van nul te lopen nadat een bepaalde situatie zich voordoet. Stuiting is mogelijk in volgende gevallen:
- Een schulderkenning van uw ex-partner (bv. een vrijwillige betaling);
- Een bevel tot betaling werd betekend aan uw ex-partner;
- Een betekening van een beslag aan uw ex-partner;
- Een dagvaarding van uw ex-partner voor de rechtbank.