Belasting op overwinsten van energiebedrijven: wat kan en wat niet en waarom?
De politieke roep om de overwinsten van energiebedrijven te belasten neemt overhand toe. Wat kan en wat kan niet en waarom? Onze Wanted Lawyers Paul Verhaeghe en Roel Deseyn schreven hier uitgebreid over.
Een belastingvraagstuk : Hoe meeropbrengsten uit energie doen bijdragen?
Het International Energy Agency berekende dat energieproducenten in de Europese Unie in 2022 een meeropbrengst zullen hebben van 200 miljard euro. Roemenië voerde een progressieve belasting in op gasexploitanten die in de hoogste schijf 70 % bedraagt. Andere Europese lidstaten zoals Italië en Spanje voeren een inkomstenbelasting in op zogenaamde overwinsten van energieproducten. Dit om die bedrijven meer te laten bijdragen aan maatregelen die gezinnen helpen met plotse prijsstijgingen voor hun energie. De Duitse regering wikt en weegt of zij ook zulke bijzondere maatregelen zal nemen. Politieke partijen en experten-groepen in België laten ballonnetjes allerlei op. De politieke roep om overwinsten uit energie te belasten neemt overhand toe. Wat kan en wat kan niet en waarom?
Wanted Law vroeg de mening van de advocaten Paul Verhaeghe en Roel Deseyn van Wanted Law Tax.
Werden er in uitzonderlijke omstandigheden dergelijke bijzondere belastingen reeds gestemd in België?
In de Belgische geschiedenis sedert de tweede wereldoorlog zijn er twee gevallen waarin tot uitzonderlijke vennootschapsbelastingen op extra winsten werd beslist. In 1952 werd ten tijde van de Koreaoorlog een extra heffing van 25 % geheven op extra winsten. De Belgische wetgever vond het toen:
« niet denkbaar dat sommige bevoorrechte klassen zich zouden verrijken (…) terwijl burgers de last van prijsstijging van de producten (…) zouden te dragen hebben »
In het midden van de jaren ’70 werd ingevolge de oliecrisis een bijkomende vennootschapsbelasting van 4,8 % geheven op winsten boven de 6 %. Vanuit dat historisch perspectief is het logisch dat in de omstandigheden die we vandaag kennen ook voor gelijkaardige uitzonderlijke maatregelen wordt gepleit in België en in andere Europese lidstaten om extra winsten bekomen door die energieprijzen meer te doen bijdragen.
Wat is er verschillend met toen?
Het belangrijkste verschil is dat er sedert de jaren ‘80 een grondwettelijk hof werd opgericht in België dat toetst of fiscale wetten niet discrimineren. In tegenstelling tot de meeste andere landen hebben de Belgische belastingplichtigen rechtstreeks toegang tot het Grondwettelijk Hof om de fiscale wetten in vraag te stellen en zo nodig te doen vernietigen.
Sedert het midden van de jaren ’90 verleent de Wereldhandelsorganisatie via het GATT-verdrag bescherming tegen discriminerende maatregelen (GATT : General Agreement on Trade and Tariffs) aan vennootschappen binnen en buiten de Europese Unie. Dat verdrag voorziet in een eigen rechtbank en hof waarin landen tegen elkaar kunnen procederen en om schadevergoeding vragen als zij menen dat een fiscale uitzonderingsregeling in feite tegen hun onderdanen is gericht en deze discrimineert.
Ook binnen de Europese Unie zijn de jaren ’50 en ’70 nog moeilijk vergelijkbaar qua verplichtingen voor de nationale wetgevers op heden om bij uitzonderlijke fiscale regels niet te discrimineren. Sedert de invoering van het Handvest van de fundamentele rechten dient een ongelijke behandeling tussen belastingplichtigen steeds bijzonder te worden gemotiveerd. Het Hof van Justitie zal die toetsing maken wanneer voor haar wordt ingeroepen dat de effecten van een nationale fiscale wetgeving fundamentele vrijheden belemmert. Dit kan het geval zijn indien de belastingmaatregel ook de inkomsten van vennootschappen belast die in een andere lidstaat zijn gevestigd. Dan komen de vereisten van het Verdrag van de Werking van de Europese Unie om de hoek kijken. Het Hof van Justitie waakt er zo over dat Europese lidstaten zoals België de effecten van hun fiscale wetten op de fundamentele rechten en vrijheden moeten kunnen verantwoorden.
En dan zijn er nog de bilaterale belastingverdragen tussen landen die evolutief worden uitgelegd en toegepast. Tussen lidstaten van de Europese Unie regelt een richtlijn vanaf de inkomsten 2018 de procedure voor discussies over de toepassing van die verdragen. Ook die regeling die in België werd ingevoerd met de Wet van 2 mei 2019 tot omzetting van de Richtlijn (EU) 2017/1852 van de Raad van 10 oktober 2017 betreffende mechanismen ter beslechting van belastinggeschillen in de Europese Unie (B.S., 17 mei 2019) heeft de rechten van bedrijven die zich ongelijk behandeld voelen aanzienlijk versterkt om een uitzonderings nationale fiscale wet te toetsen aan de vereiste om niet te discrimineren.
De macht waarover de wetgever vandaag beschikt om uitzonderlijke fiscale maatregelen te nemen vereist daarom in tegenstelling met de vorige wetgevingen die tot dergelijke maatregelen beslisten een bijzonder duidelijke en omstandige motivering voor wat
- de reden is voor de uitzonderlijke maatregel,
- welk doel precies wordt beoogd door de maatregel en
- welke criteria nuttig zijn om dat doel effectief te bereiken,
- zonder daarbij verder te gaan dan nodig.
Welke politieke partijen leggen welke voorstellen op tafel en voldoen deze aan deze vereisten ?
De experten-groep die door de Federale regering werd aangesteld om haar te adviseren over koopkracht-bevorderende maatregelen mocht vorige week een reeks aanbevelingen doen, waaronder het belasten van overwinsten van energiebedrijven. Dit echter zonder uitleg hoe dat best wordt gedaan. In de media werd de voorbije weken ruchtbaarheid gegeven aan diverse oproepen ter linkerzijde om uitzonderlijke maatregelen in te voeren: Vooruit wenst een regeling die 10 % extra vennootschapsbelasting oplegt op zogenaamde ‘overwinsten’ die worden berekend volgens een methode die teruggaat naar de Amerikaanse burgeroorlog van 1861 en in de tweede wereldoorlog in de Verenigde Staten van Amerika werd hernomen; Groen wenst een bijzondere inkomstenbelasting op de winsten van energiebedrijven die kerncentrales uitbaten en PVDA slaat op de trommel voor de invoering van een miljonairstaks en een heffing die kan oplopen tot 75 % op winst die de gemiddelde winst overstijgt.
De precieze details van deze drie voorstellen zijn ons niet bekend toen we deze blog schreven maar op basis van wat we in de pers konden lezen lijken volgende aandachtspunten ons belangrijk om in het oog te houden:
(1) Welke uitzonderlijke omstandigheid wordt als reden opgegeven ?
Voorstellen die verwijzen naar historische oorlogsomstandigheden of een zware economische depressie komen in de problemen indien België bij invoering van de buitengewone maatregel niet in oorlog is of de economie nog niet minstens in een ernstige recessie zit.
Het voorstel van Vooruit dat zich beroept op historische maatregelen omwille van uitzonderlijke omstandigheden die vandaag (nog) niet aanwezig zijn lijkt ons op dat punt in de problemen te geraken om in 2022 de invoering van een gelijkaardige historische uitzonderingsregel te kunnen verantwoorden. Het voorstel van Vooruit verwijst daarnaast net als de andere voorstellen ook naar de plotse prijsstijgingen als reden om over te gaan tot een uitzonderlijke fiscale maatregel die de extra winsten (overwinsten) zwaarder belast.
Naar onze mening kan een uitzonderlijke fiscale maatregel afdoende worden verantwoord wegens de plotse internationale stijging van prijzen voor onmisbare goederen. Zoals energie waarvoor de overheid heeft beslist om met ad hoc maatregelen de gevolgen voor de kopers te verlichten. Dit is een uitzonderlijke omstandigheid die de invoering van een uitzonderingsregeling inzake vennootschapsbelasting verantwoordt op die verkopers die energie blijven produceren of aankopen zonder belangrijke stijging van hun kosten maar door diezelfde internationale markomstandigheden plots met belangrijke hogere meeropbrengsten die energie hebben kunnen verkopen in 2022.
(2) Wat wenst men te bereiken ?
De uitzonderlijke omstandigheden veroorzaken effecten waaraan de uitzonderlijke maatregelen beogen te verhelpen. Om een toetsing te doorstaan vanuit bijvoorbeeld de noodzaak tot financiering van koopkracht behoudende maatregelen dient er een logisch verband van oorzaak en gevolg te bestaan tussen de buitengewone fiscale maatregel en een plotse verarming van delen van de bevolking en bedrijven om zich zaken aan te schaffen die onmisbaar zijn en een bovenmatige meeropbrengst die plots ontstaat bij verkopers van die zaken.
De buitengewone fiscale maatregel heeft dan als doel om door de gestegen financiële draagkracht uit de verkopen in België deze meer te laten bijdragen in de plotse bijkomende budgettaire lasten voor België. Het wordt als oneerlijk ervaren dat de extra winsten die zo werden behaald niet meer zouden moeten bijdragen dan de normaal verschuldigde vennootschapsbelastingen op die extra winsten. Immers betalen alle bedrijven vergelijkbare tarieven in de vennootschapsbelasting waardoor bij gelijke tarieven de budgettaire kost voor een veel groter aandeel zal moeten worden gedragen door burgers en bedrijven die reeds die plotse hogere kosten moeten betalen. Zij betalen zo twee keer met een verlaging van hun financiële draagkracht terwijl de verkopers maar éénmaal bijdragen met een verhoging van hun financiële draagkracht. Het wordt dan rechtvaardig gevonden om via de uitzonderlijke fiscale maatregel te streven naar een billijker evenwicht tussen belastingplichtigen. Dit via een verhoogde bijdrage die de betrokkenen een tweede keer doet betalen zoals de andere belastingplichtigen. Dat is wat men de bedoeling of het normdoel noemt van de buitengewone fiscale maatregel en die dus wordt ingegeven door redenen van billijkheid (fairness) in de bijdragen voor de bijkomende budgettaire lasten naar de gewijzigde financiële draagkracht (het ability-to-pay principe).
Het voorstel van de PVDA lijkt ons op dat punt qua normdoel niet in een logisch verband te staan tot de oorzaak omdat men werkt met een gemiddelde winst die los kan staan van die oorzaak. Bedrijven konden al zeer winstgevend zijn voordien en miljonairs waren vermoedelijk reeds miljonairs voor de Covidpandemie, de energietransitie of de energiecrisis die als redenen worden opgeheven. Een hogere winst dan de gemiddelde winst kan perfect behaald zijn door verkopen die niet profiteren van de internationale prijsstijgingen. De invoering van deze maatregelen staan niet in een logisch verband met de ingeroepen oorzaken omdat er geen toename is van de financiële draagkracht om die reden. Het criterium stelt enkel financieel draagkracht vast los van haar oorzaak. Het gevolg en dus ook de bedoeling van dergelijk voorstel is om een algemeen herverdelende politiek na te streven met als aanleiding deze uitzonderlijke oorzaken. Doordat er geen verband is met de oorzaak van de wijziging in financiële draagkracht tussen belastingplichtigen kan die maatregel na invoering echter blijven voortduren. Dit dus ook nadat de internationale energieprijzen terug naar een lager niveau zaken.
Ook het voorstel van Vooruit lijkt ons op dat punt in de problemen te komen, net zoals elk ander voorstel dat het heeft over ‘over’winsten. Grote winstmarges konden reeds eerder bestaan bij bedrijven of kunnen allerlei oorzaken hebben die geen uitstaans hebben met de uitzonderlijke omstandigheden. Er moet dan ook kunnen worden verantwoord wat het verband is met een voordeel dat effectief werd behaald door de specifieke marktomstandigheden die aan anderen tegelijk een nadeel berokkenen die de uitzonderingsmaatregel wenst te verlichten.
Zonder die band heeft de uitzonderingsmaatregel een algemeen herverdelend effect dat kan voortduren nadat de bijzondere marktomstandigheden en dat nadeel ophouden. En dan kan de regeling in de problemen komen qua verantwoording als dat niet uitdrukkelijk werd gemotiveerd als bedoeling van bij de invoering van de maatregel.
Men moet voor ‘overwinst’ die vanuit het normdoel van fairness in een logisch verband dient te staan met de oorzaak van de buitengewone fiscale maatregelen minstens eerst vaststellen dat er effectief belangrijke meeropbrengsten werden bekomen uit de verkopen in België door de verkopers van energie om dan vervolgens na te gaan in welke mate er extra belastbare inkomsten werden aangegeven in België die dan wegens het normdoel aan een hoger tarief behoren te worden belast om tot een eerlijker bijdrage naar gewijzigde financiële draagkracht tussen belastingplichtigen te komen.
(3) Hoe dit te bereiken ?
De criteria van de buitengewone fiscale maatregel die overwinsten bij energiebedrijven meer doet bijdragen moet ervoor zorgen dat er effectief meer vennootschapsbelasting wordt afgedragen door zij die omwille van de hogere energieprijzen meer belastbare inkomsten konden bekomen.
Ook voor die derde vereiste lijkt het voorstel van Vooruit om historische criteria toe te passen om overwinst te bepalen ons problematisch. Onze economie is immers geëvolueerd van de productie van ijzer en staal naar digitale wijzen om rijkdom te maken. Oude recepten die steunen op grote kapitaalvereisten om meer te kunnen produceren moeten zich verantwoorden waarom zij een efficiënt middel vormen om het beoogde doel te bereiken in een digitale economie waar productie mede wordt bepaald door de gebruiker tegen een verwaarloosbare meerkost.
Elk criterium dat ‘over’ winst poogt vast te stellen om de uitzonderingsregel toe te passen lijkt ons arbitrair en niet efficiënt om de toename in financiële draagkracht evenredig uit te drukken. Waarom zijn 10 miljoen euro extra belastbare inkomsten die louter werden behaald uit hoofde van gewijzigde marktomstandigheden in het ene geval wel onderworpen aan een extra bijdrage en in het andere geval niet ? Wat heeft de hoogte van de winstmarge daarmee te maken ? Is de boekhoudkundige winstgevendheid daarbij logisch als criterium als er gewoonweg meer wordt ontvangen? Immers zaten in de ‘oude’ prijzen reeds alle kosten van productie vervat.
Het criterium van toename in aangegeven winst (overwinst) om al dan niet zwaarder te belasten zegt bovendien de deur open voor allerlei ongewenste gevolgen doordat men zal pogen om minder winst aan te geven. Boekhoudkundig kan er nog heel wat gebeuren voordat extra belastbare inkomsten ook resulteren in extra aangegeven winst. Het bedrijf kan een hele reeks beslissingen nemen om net nu buitengewone kosten te maken. Wat als een bedrijf beslist tot uitzonderlijke investeringen of een rondje kapitaalsverhoging doorvoert om zo juist niet in het criterium van ‘over’ winst te vallen ? Ook kan met kosten worden geschoven tussen lidstaten en kan door zetelverplaatsingen het finaal resultaat zijn dat er minder wordt bijgedragen in België.
Kritische bemerking nr. I inzake overwinst als criterium van belasting.
Overwinst verwijst naar boekhoudkundige winst die kan worden verschoven door zetelverplaatsingen en allerlei ontwijkingsmechanismen waardoor er mogelijks finaal minder vennootschapsbelasting zal worden geïnd.
Wij pleiten er daarom voor om op basis van een belangrijke toename van belastbare inkomsten te belasten. De term meeropbrengsten kijkt naar wat er dat boekjaar in kasstroom werd uitgegeven om de energie te bekomen en wat er in kasstroom werd ontvangen voor die energie. Het nettoresultaat wordt dan onderworpen aan een progressieve vennootschapsbelasting tot 50 % (het dubbele van het normale tarief voor de allerhoogste toenames) waarvan de normale vennootschapsbelasting kan worden afgetrokken die volgens de normale regels verschuldigd is op die extra belastbare inkomsten. Deze criteria zijn niet afhankelijk van allerlei bedrijfsmatige beslissingen van de verkoper die de boekhoudkundige winst kunnen doen dalen of toenemen, maken ontwijkingsmechanismen daardoor nutteloos en staan in een logisch verband tot het normdoel. Eens de internationale marktprijzen terug naar een normaal niveau zaken zal er geen belangrijke toename van belastbare inkomsten meer zijn en dooft het bijzonder regime uit.
(4) Zonder verder te gaan dan nodig ?
De voornaamste oorzaak in 2022 van de stijgende internationale marktprijzen ligt in de schaarste van één grondstof door de oorlog in Oekraïne : gas. Daarvoor waren er in 2021 al belangrijke prijsstijgingen door de heropleving van de wereldeconomie die niet tijdig kon worden opgevangen door de gas- en olieproducenten. Doordat de leveringen van gas onzeker is geworden wordt de elektriciteit die wordt opgewekt met gas duurder. Dat straalt af op de internationale marktprijs van verkochte elektriciteit. Ook deze die niet door middel van gas wordt opgewekt en zo zonder belangrijke meerkosten belangrijk meeropbrengsten verkrijgen.
De voorstellen van Vooruit en PVDA gebruiken criteria die overwinsten belasten waar deze zich voordoen zonder logisch verband met deze oorzaken. Zij riskeren dat hun voorstellen discrimineren wanneer bedrijven aantonen dat zij reeds hoge winsten hadden die niet zijn veroorzaakt door plotse meeropbrengsten uit de verkoop van elektriciteit.
Het voorstel van Groen waarover de pers berichtte zou voornamelijk gericht zijn op de energiebedrijven, begrijp de producten van kernenergie. Nochtans kunnen ook wind- en zonne-energie in belangrijke mate meeprofiteren van de plotse meeropbrengst indien deze ondernemingen niet gebonden zijn aan contracten tegen vaste leverprijzen. Het viseren van een specifiek zakenmodel terwijl concurrerende zakenmodellen ook belangrijke plotse meeropbrengsten binnenrijven loop ook het gevaar om te worden aanzien als vorm van discriminatie waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat. Het viseren van een specifiek zakenmodel vereist een bijzonder goede motivering om discriminatie te vermijden.
Kritische bemerking nr. II over het viseren van energiebedrijven.
Alle producenten en leveranciers van elektriciteit in België verkrijgen belangrijke meeropbrengsten zodat er geen redelijke verantwoording bestaat om enkel rekening te houden met de toename van financiële draagkracht van energiebedrijven. Elk bedrijf dat voor haar goedkoop verworven elektriciteit duur verkoopt behoort in principe onder de buitengewone fiscale maatregel te vallen. Dit in verhouding tot de toename van de financiële draagkracht uit die verkopen.
Wij pleiten er daarom voor om alle producenten en verdelers van elektriciteit te onderwerpen aan een uitzonderingsregel die een eerlijker verdeling zoekt van de lasten. Dit betreft dus alle bedrijven die bijvoorbeeld zonnepanelen, windturbines of afgeleide industriële processen hebben die hen toelaten om tegen vaste kostprijs zelf elektriciteit te verkopen aan de gestegen markprijzen. Dit dus in verhouding tot een effectieve belangrijke toename van hun financiële draagkracht die ontstaat door de belangrijke meeropbrengsten ingevolge de internationale prijsstijgingen.
Onze conclusie ?
Alle politieke voorstellen over het zwaarder belasten van overwinsten (uit energie) die we tot nog toe via de pers mochten vernemen houden een belangrijk risico in om te worden aanzien als discriminerend.
Wat kan er dan wel ?
Belgische belastingplichtigen ondergaan directe en indirecte effecten door de plotse stijging van de energieprijzen. De ad hoc inspanningen die de overheid daartegen bijkomend doet worden gefinancierd met geleend geld dat door alle Belgische belastingplichtigen zal worden terugbetaald op de één of de andere wijze. Het is dan fair om aan diegenen met een belangrijke grotere financiële draagkracht die werd bekomen door de stijgende prijzen te vragen om meer bij te dragen (het ability-to-pay principe).
Daarnaast laten zowel de ad hoc inspanningen van de federale overheid (sociaal tarief, accijnsverlaging, Btw-verlaging) als de structurele inspanningen (indexering) de kopers van elektriciteit toe om die hoge prijzen te blijven betalen. Alle leveranciers en verkopers van elektriciteit in België profiteren zo direct of indirect mee van de sociale beschermingsmaatregelen in België. Er kan aan hen daarom worden gevraagd om een hoger deel bij te dragen aan de kost van die maatregelen (het benefit principe).
De billijkheid vraagt daarom de toename van inkomsten behaald in België door uitzonderlijke marktomstandigheden te meten. Die toename werd betaald door Belgische belastingplichtigen. Indien tegenover deze toename van inkomsten geen toename van onkosten staat, dan werden meeropbrengsten behaald door uitzonderlijke marktomstandigheden. Het is dan verantwoord om alle verkopers van elektriciteit naar toename van hun financiële draagkracht door die meeropbrengsten progressief te laten bijdragen naar de toename van die inkomsten. Daardoor zullen de Belgische belastingplichtigen als een geheel proportioneel minder moeten bijdragen in de maatregelen die hun koopkracht ondersteunen. Zij betalen dan de ‘tweede keer’ (zie hoger) minder dankzij de hogere bijdragen vanwege zij die door de toename van de energieprijzen hun financiële draagkracht zagen verbeteren.
Om de toename van belastbare inkomsten en de financiële draagkracht eerlijk en efficiënt te belasten in functie van die werkelijke toename moet afgestapt worden van het boekhoudkundig winstbegrip. De netto-omzet die dat boekjaar wordt bekomen door van de inkomende gelden uit extra inkomsten de uitgaande gelden voor de kostprijs van de productie of de aankoop van elektriciteit af te trekken vormt een relevant criterium om de toename in financiële draagkracht per boekjaar objectief te meten.
Blijkt deze toename aan netto-inkomsten zeer groot, doordat bijvoorbeeld de verkoper een groot marktaandeel heeft, dan is het billijk om een nog grotere bijdrage te vragen aan de verkopers van elektriciteit in België door een progressieve vermogensbelasting die oploopt tot 50 % en waarvan de betaalde vennootschapsbelasting op de aangegeven boekhoudkundige winst uit de netto-omzet kan worden afgetrokken.
Blijkt deze toename aan financiële draagkracht bescheiden omdat niet veel wordt verkocht, dan is er geen redelijke verantwoording om zwaarder te belasten. Wij stellen voor om verkopers van minder dan 1 miljoen kWh in België vrij te stellen en enkel verkopers zwaarder te belasten indien de toename van de netto-inkomsten minstens 20 % bedraagt ten opzichte van de ratio in het boekjaar 2019 tussen inkomende en uitgaande gelden wegens de verkoop van elektriciteit in België.
De belangrijke toename aan financiële draagkracht activeert een bijzondere belastbare basis voor de berekening van een progressieve vennootschapsbelasting op de netto-inkomsten uit de verkoop van elektriciteit in België. We denken daarbij aan volgende progressie :
- De toename is minder dan 100 miljoen euro ? Het tarief van 25 % is van toepassing.
- De toename ligt tussen 100 miljoen euro en 250 miljoen euro ? Een tarief van 30 % is van toepassing op die schijf.
- De toename ligt tussen 250 miljoen euro en 500 miljoen euro ? Een tarief van 40 % is van toepassing op die schijf.
- De toename ligt boven de 500 miljoen euro ? Een tarief van 50 % is van toepassing op het hogere..
De vennootschapsbelasting die volgens de aangegeven boekhoudkundige winst verschuldigd is op het aandeel verkopen in België kan in mindering worden gebracht.
Voldoet dergelijk voorstel om meeropbrengsten uit de verkoop van energie in België zwaarder te belasten aan de vier vereisten inzake discriminatie ?
(1) Welke uitzonderlijke omstandigheid wordt als reden opgegeven ?
Ons voorstel waakt over een logisch verband tussen de oorzaak en de omvang van uitgaven in België door de Federale overheid om tegemoet te komen aan de internationale prijsstijgingen van elektriciteit enerzijds en anderzijds de omvang van inkomsten van de verkopers van elektriciteit in België.
Van zodra de internationale marktprijzen gaan dalen zullen de kosten voor de kopers en de opbrengsten voor de verkopers mee dalen. Van zodra het niveau 20 % - wordt behaald ten opzichte van 2019 in de ratio tussen inkomende en uitgaande gelden in dat boekjaar is de buitengewone fiscale maatregel niet langer van toepassing op dat bedrijf. De resterende toename in financiële draagkracht verantwoordt niet langer een correctie.
(2) Wat wenst men te bereiken ?
Dat de stijging in financiële draagkracht van verkopers van elektriciteit in België leidt tot een eerlijker verdeling van de budgettaire lasten voor de Belgische belastingbetalers die tweemaal betalen ; éénmaal voor de eigen kosten van energie en een tweede maal voor de budgettaire lasten voor de overheid. Hun financiële draagkracht wordt verminderd. De verkopers betalen éénmaal zoals iedereen normale vennootschapsbelastingen en dragen een tweede maal bij naar verhouding van de toename van hun financiële draagkracht uit verkopen van energie in België. De globale inspanning wordt zo eerlijker verdeeld.
(3) Hoe dit te bereiken ?
Alle verkopers van elektriciteit in België die erin slagen om tegen variabele marktprijzen te verkopen en goedkoper te produceren en daardoor belangrijke meeropbrengsten boeken worden progressief belast in verhouding tot de toename van hun financiële draagkracht uit de verkopen in België.
Verkopers van elektriciteit die deze zelf duur moesten aankopen zullen geen belangrijke toename aan meeropbrengsten hebben uit die verkopen in netto kasgelden en vallen door de ratio niet onder de buitengewone fiscale maatregel omdat hun financiële draagkracht niet in belangrijke mate is toegenomen door de internationale prijsnoteringen.
Er is een logisch verband tussen oorzaak, normdoel en de criteria.
(4) Zonder verder te gaan dan nodig ?
Enkel de opbrengsten uit verkopen van elektriciteit in België worden geviseerd omdat enkel deze opbrengsten genieten van het behoud van de koopkracht van Belgische klanten door de maatregelen die de Federale overheid neemt.
Beperkte toenames van de financiële draagkracht uit verkoop van elektriciteit in België worden vrijgesteld bij verkochte volumes van minder dan 1 miljoen kWh. Ook komt de bijzondere fiscale maatregel zo niet in conflict met andere objectieven inzake de energietransitie.
Door het vastklikken aan een ratio dooft het mechanisme uit wanneer de internationale markprijzen terug naar een normaal niveau zaken.
Kan dat, een progressieve vennootschapsbelasting op basis van netto-omzet die enkel wordt toegepast op verkopen van elektriciteit in België ?
Ja, dat kan. Wij citeren volgende passages uit het arrest van 2 maart 2020 van het Hof van Justitie (HJEU, 3 maart 2020, Vodafone Magyarország Mobil Távközlési Zrt. t. Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága, C-75/18) over een Hongaarse progressieve vennootschapsbelasting die enkel werd ingevoerd op de omzet die door telecombedrijven wordt behaald in Hongarije :
“49. In herinnering dient evenwel te worden gebracht dat het de lidstaten bij de huidige stand van harmonisatie van het belastingrecht van de Unie vrijstaat om het belastingstelsel in te voeren dat zij het meest geschikt achten, zodat de toepassing van een progressieve belastingheffing behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van elke lidstaat (zie in die zin arresten van 22 juni 1976, Bobie Getränkevertrieb, 127/75, EU:C:1976:95, punt 9, en 6 december 2007, Columbus Container Services, C‑298/05, EU:C:2007:754, punten 51 en 53).
50. In dit verband kan een progressieve belastingheffing – anders dan de Commissie stelt – worden gebaseerd op de omzet, aangezien het bedrag van de omzet een neutraal onderscheidingscriterium is en een relevante indicator vormt voor de draagkracht van de belastingplichtigen.
51. In casu blijkt uit de gegevens waarover het Hof beschikt, en met name uit de in punt 4 van dit arrest weergegeven passage van de considerans van de wet betreffende de bijzondere belasting voor bepaalde sectoren, dat deze wet ertoe strekte om – door de toepassing van een progressieve, op de omzet gebaseerde tariefstructuur – belastingen te heffen bij belastingplichtigen van wie de draagkracht „groter is dan de algemene belastingdruk”.
Op het Belgisch niveau hanteert het Grondwettelijk Hof als stelregel enkel een marginale toetsing uit te oefenen wanneer een overheid een fiscale maatregel neemt met betrekking tot de eigen bevoegdheden van die overheid.
Indien wordt geopteerd voor het criterium van meeropbrengsten om de toename in financiële draagkracht bij verkopers van elektriciteit in België te belasten, ramen wij een minimale opbrengst van 2 miljard euro jaarlijks voor zolang de hoge prijsnoteringen aanhouden.
Neem gerust even contact met Wanted Law Tax!
Niet zeker of u alles goed begrepen hebt? Vraag dan gerust een consultatie aan!