Meerdere redenen om elkaar maximaal te begunstigen.
In sommige gevallen wil een echtpaar elkaar maximaal begunstigen. De redenen om elkaar maximaal te begunstigen zijn vaak uiteenlopend. Zo is het mogelijk dat de ene echtgenoot de andere echtgenoot wil begunstigen omdat hij of zij geen contact meer heeft met zijn kinderen uit het vorige huwelijk. Het is echter ook mogelijk dat de echtgenoten elkaar zoveel mogelijk wensen te begunstigen omdat zij hun vermogen vooral tijdens dàt huwelijk hebben opgebouwd. Dit laatste zien wij bv. bij jonge gezinnen waar één van de partners reeds een kind of kinderen uit een vorige relatie of huwelijk heeft.
Het is echter oppassen indien de echtgenoten kinderen uit een vorige relatie of huwelijk hebben.
Het verblijvingsbeding.
Vaak doen echtgenoten een beroep op het zogenaamde “verblijvingsbeding” of een “langst leeft, al heeft-beding”, dat zij inlassen in hun huwelijkscontract. Het koppel trouwt dan vaak onder het wettelijk stelsel, zijnde met scheiding van goederen en met gemeenschap van aanwinsten, en laat de huwgemeenschap bij het overlijden van de eerst stervende in volle eigendom toekomen aan de langst levende.
De huwgemeenschap die tijdens het huwelijk is opgebouwd en die het leeuwendeel van het vermogen van de echtgenoten uitmaakt, “verblijft” op die manier aan de langstlevende. De ene echtgenoot wenst dat de andere echtgenoot bij zijn overlijden over het volledige gezinsvermogen kan beschikken en dat de kinderen pas na het overlijden van de langstlevende tot de nalatenschap komen. De kinderen worden niet onterfd, maar hun erfrecht wordt uitgesteld tot aan het overlijden van de langstlevende ouder.
Vaak is het verblijvingsbeding optioneel opgesteld, zodat de langstlevende echtgenoot er naar eigen keuze al dan niet gebruik van kan maken.
Bij de zogenoemde “klassieke” gezinnen waar er geen sprake is van stiefkinderen vormt dergelijk verblijvingsbeding of “langst heeft, al heeft-beding”, vaak een eenvoudige successieplanning!
Wat met stiefkinderen?
Dit verblijvingsbeding van maximale begunstiging van de langstlevende echtgenoot levert problemen op wanneer er er stiefkinderen zijn. De wet heeft met recht en reden een bijzondere bescherming ingebouwd voor stiefkinderen. Stiefkinderen erven immers niet van de langstlevende (niet)ouder bij zijn of haar overlijden. Zij zien dus als het ware het vermogen van hun overleden ouder aan hen voorbij gaan bij gebrek aan erfrechtelijke aanspraken.
Akkoord, het is nog wel mogelijk om de stiefkinderen te begunstigen met een testament of hen te adopteren via een stiefouderadoptie, maar dit is niet de standaardprocedure, zodat stiefkinderen zich geconfronteerd kunnen zien met het vermogen van hun overleden ouder dat volledig wegvloeit naar hun stiefmoeder of stiefvader.
Om te vermijden dat de stiefkinderen berooid achterblijven, heeft de wetgever een bijzondere regel in artikel 1465 B.W. voorzien. Stiefkinderen genieten een bijzondere bescherming.
Voor echtgenoten met niet gemeenschappelijke kinderen zijn alle bedingen in hun huwelijkscontract waardoor de langstlevende méér verkrijgt dan de helft van de aanwinsten een schenking buiten deel. Indien deze bedingen het beschikbaar deel overschrijden, kunnen de stiefkinderen de inkorting ervan vorderen.
Wat betekent dit nu in mensentaal? Alles wat de langstlevende door het verblijvingsbeding meer krijgt dan de helft van de huwgemeenschap, wordt aanzien als een schenking van de ene aan de andere echtgenoot, en kunnen de stiefkinderen aanvechten. M.a.w. de langstlevende kan nog wel de andere helft van de huwgemeenschap krijgen bij het overlijden van zijn of haar echtgenoot, maar dit gedeelte beschouwt men als een schenking. Raakt deze schenking de reserve van de stiefkinderen, dan kunnen zij de inkorting ervan vragen.
Fictieve massa?
Om een nalatenschap te kunnen verdelen moet men eerst de fictieve massa samenstellen. De fictieve massa bestaat uit de alle activa van de erflater op het tijdstip van overlijden, minus de passiva plus alle schenkingen tijdens zijn leven gedaan plus alle testamentaire beschikkingen.
De nalatenschap van een onder het wettelijk stelsel gehuwd echtgenoot is samengesteld uit zijn eigen vermogen plus de helft van het gemeenschappelijk vermogen. Bij een verblijvingsbeding gaat deze "eigen" helft in het gemeenschappelijk vermogen over naar de langstlevende echtgenoot. Dit betekent in concreto dat de nalatenschap van de eerst stervende enkel de eigen goederen van de erflater zitten. Vergeet niet dat de langstlevende echtgenoot hierop een vruchtgebruik kan uitoefenen en de kinderen deze eigen goederen enkel in blote eigendom erven.
Eens men de fictieve massa heeft berekend, kan men nagaan of de kinderen aan hun reserve komen. De reserve is het onbeschikbaar gedeelte van de erfenis dat steeds aan de kinderen moet toekomen. De reserve is steeds de helft van de fictieve massa. Indien de reserve niet wordt bereikt met de aanwezige goederen in de nalatenschap, zal het stiefkind de inkorting kunnen vragen.
Het is zo dat hoe groter het eigen vermogen van de eerst stervende is, hoe minder kans de stiefkinderen van de langstlevende hebben om de inkorting te vragen.
Bent u nog mee? Een voorbeeld ter illustratie.
Een voorbeeld.
Jan en An zijn gehuwd zonder huwelijkscontract, zodat zij gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten. Tijdens hun huwelijk sluiten zij een huwelijkscontract af waarin zij het verblijvingsbeding opnemen.
De ganse gemeenschap zal in volle eigendom toekomen aan de langstlevende echtgenoot. Jan overlijdt en laat zijn echtgenote An, één gemeenschappelijk kind alsook een eigen kind uit een eerste huwelijk na.
Het gemeenschappelijk vermogen van Jan en An bestaat uit:
- een gezinswoning ten bedrage van 400.000 EUR
- spaargelden ten bedrage van 130.000 EUR en
- een wagen ten bedrage van 40.000 EUR.
Jan erfde tijdens zijn huwelijk een appartement van zijn ouders met een geschatte waarde van 250.000 EUR en een schilderij van een lokale bekende schilder ten bedrage van 70.000 EUR. Zijn eigen vermogen bestaat dus uit:
- een appartement ten bedrage van 250.000,00 EUR
- een schilderij ten bedrage van 70.000,00 EUR
Het gemeenschappelijk vermogen komt in volle eigendom toe aan An. An heeft ook nog eens het vruchtgebruik op de eigen goederen van Jan.
Het gemeenschappelijk kind en het stiefkind erven de blote eigendom van de eigen goederen van Jan, elk voor de helft. Het is echter mogelijk dat door de werking van het verblijvingsbeding de reserve van het stiefkind wordt aangetast (zijn reserve is 1/4de in blote eigendom).
Om na te kijken of het verblijvingsbeding al dan niet leidt tot de overschrijding van het beschikbaar deel moeten wij de fictieve massa samenstellen.
De fictieve massa van de nalatenschap van Jan bestaat uit:
- De helft van het gemeenschappelijk vermogen (zijnde 400.000 EUR + 40.000 EUR + 130.000 EUR : 570.000 EUR/2 = 285.000 EUR). Deze helft is weliswaar door het verbijvingsbeding vererfd aan de langstlevende, maar wordt aanzien als een schenking buiten deel die wij bij de fictieve masse moeten rekenen.
- Het eigen vermogen van Jan ten bedrage van 320.000 EUR
De fictieve massa bedraagt dus 605.000 EUR.
De reserve van beide kinderen bedraagt elk 1/4 in blote eigendom of elk 151.250 EUR in blote eigendom.
In de nalatenschap van hun vader zit enkel zijn eigen vermogen ten bedrage van 320.000 EUR dat zij erven in blote eigendom. Zij halen dus hun reserve met de aanwezige eigen goederen in de nalatenschap van hun vader. Zij kunnen dus de inkorting niet vragen.
De situatie zou wel volledig anders zijn indien het eigen vermogen van Jan niet zo groot was geweest.
Nog een voorbeeld.
In het volgende voorbeeld gebruiken wij hetzelfde gemeenschappelijk vermogen, maar heeft Jan enkel uit de nalatenschap van zijn ouders het schilderij geërfd ten bedrage van 70.000 EUR.
Dit betekent dat de fictieve massa bestaat uit:
- de helft van de aanwinsten (285.000 EUR)
- het eigen vermogen ten bedrage van 70.000 EUR
De fictieve massa bedraagt dus 355.000 EUR. De reserve van de kinderen is opnieuw 1/4 in blote eigendom elk of samen 177.500 EUR. In de nalatenschap van hun vader zit echter enkel het schilderij ten belope van 70.000 EUR waarop zij de blote eigendom kunnen uitoefenen. Zij hebben echter conform hun reserve recht op 177.500 EUR in blote eigendom, zijnde 107.500 EUR in blote eigendom te weinig, die zij kunnen vragen van de langstlevende echtgenoot (An).
Het is dus duidelijk dat hoe groter het eigen vermogen van de langstlevende is, hoe minder kans er is dat de stiefkinderen de inkorting van de langstlevende kunnen vorderen.
Wenst u een berekening of heeft u vragen?
Wenst u dat wij voor u eens een berekening maken of heeft u vragen bij een nalatenschapskwestie? Aarzel dan niet om contact te nemen met ons kantoor!