De kwijtschelding van schulden in het nieuwe faillissementsrecht
De regeling van de kwijtschelding van schulden is van toepassing op de faillissementen sinds 1 mei 2018. Voordien sprak men over de verschoonbaarheid van de gefailleerde.
Het doel van de wetgever, met betrekking tot het systeem van de kwijtschelding, was om de gefailleerde natuurlijke persoon een tweede nieuwe kans te geven. Daarnaast kan de ondernemingsrechtbank nu sneller een beslissing erover nemen dan wat vroeger het geval was met verschoonbaarheid. Het is de bedoeling dat het systeem van de kwijtschelding een automatisme is.
De kwijtschelding is een automatisme onder voorbehoud van verzet
In principe zal de kwijtschelding automatisch worden toegekend door de rechtbank bij de sluiting van het faillissement, tenzij er verzet is van enige ‘belanghebbende’.
Vroeger moest er door de gefailleerde natuurlijke persoon een verzoek worden ingediend om deze kwijtschelding te bekomen. Dit is sinds september 2023 niet meer het geval. Zelfs zonder verzoek tot kwijtschelding moet de rechtbank dus automatisch bij de sluiting van het faillissement de kwijtschelding toekennen.
De rechtbank kan de kwijtschelding niet op eigen initiatief weigeren. Enkel de belanghebbenden kunnen de kwijtschelding verhinderen door zich ertegen te verzetten. Onder belanghebbenden wordt verstaan: de schuldeisers, de curator of het openbaar ministerie. Deze belanghebbenden zullen dan moeten bewijzen dat de gefailleerde "kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement".
De belanghebbenden kunnen zich vanaf het faillissementsvonnis verzetten tegen de kwijtschelding. Is er al een vonnis van de rechtbank waarin de kwijtschelding wordt toegekend? Dan kunnen deze belanghebbenden eventueel nog derdenverzet aantekenen tot drie maanden na de bekendmaking van de sluiting van het faillissement.
Kennelijk grove fouten die hebben bijgedragen tot het faillissement
Om de kwijtschelding te verhinderen dienen de belanghebbenden aan te tonen dat de gefailleerde "kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement".
Er zijn al tal van voorbeelden in de rechtspraak van dergelijke grove fouten die hebben bijgedragen tot het faillissement. Deze bewijslast is identiek aan de bewijslast bij de vordering tot aanzuivering van het passief die men kan instellen tegen de bestuurders van vennootschappen. Het gaat dan om fouten die eenieder, zonder enige discussie, als grove fout aanziet, een “onvergeeflijke lichtzinnigheid of zorgeloosheid” die bijna neerkomt op bedrog of een opzettelijke fout.
Enkele voorbeelden:
- Het verderzetten van een zwaar deficitaire onderneming ten nadele van de schuldeisers;
- Het verduisteren van goederen of gelden;
- Het niet voeren van een boekhouding;
- Het systematisch niet betalen van fiscale en sociale lasten als bewust gekozen wijze om de onderneming te financieren.
De fout moet niet noodzakelijk de hoofdoorzaak zijn. Het volstaat dat de fout heeft bijgedragen tot het faillissement.
Wanneer de rechtbank oordeelt dat het verzet gegrond is, dan zal ze de kwijtschelding geheel of gedeeltelijk weigeren. Gedeeltelijke weigering betekent allicht dat voor alle schuldeisers slechts een gedeelte wordt kwijtgescholden. De kwijtschelding kan ook slechts worden geweigerd ten aanzien van één of meerdere specifieke schuldeisers.
Welke schulden komen in aanmerking voor de kwijtschelding?
De kwijtschelding geldt voor alle schulden van de gefailleerde die bestonden op het ogenblik van de faillietverklaring. Het gaat om zowel de ondernemingsschulden als om de privéschulden van de gefailleerde. Schulden die ontstaan tijdens de faillissementsprocedure (boedelschulden), of ontstaan door een nieuwe beroepsactiviteit van de gefailleerde, vallen buiten de kwijtschelding.
Daarnaast worden de volgende schulden bij wijze van uitzondering niet kwijtgescholden:
- Onderhoudsschulden;
- Verschuldigde schadevergoeding wegens overlijden of aantasting van de lichamelijke integriteit door toedoen van de gefailleerde;
- Strafrechtelijke boetes.